Na elke studiedag over digitale middelen gebeurt hetzelfde. Een paar collega’s gaan aan de slag, de rest wacht rustig tot het overwaait. Wat ligt daar onder?
Oktober, studiedag. Een externe trainer staat voor de aula en laat zien wat er allemaal kan in Microsoft 365. Laptops open, knikkende hoofden, een paar goede vragen. Om drie uur loopt iedereen naar de parkeerplaats. Twee weken later werken vier collega’s met wat ze die dag zagen. De anderen pakken de draad op zoals ze hem hadden liggen.
Onwil is het zelden. In de besturen waar ik werk zie ik leraren die graag willen, maar die na zo’n dag terugkeren naar een volle week zonder ruimte om te oefenen. Zo blijft de digitale vaardigheid van docenten hangen op het niveau van de enthousiastelingen. Het probleem zit in de vorm. Professionalisering die één keer per jaar langskomt, gedraagt zich als een evenement. Leren vraagt om een ritme.
Dat ritme wordt de komende jaren belangrijker. Het kabinet wil de nieuwe kerndoelen digitale geletterdheid per 1 augustus 2027 laten ingaan, met een overgangsperiode tot 1 augustus 2031. De Tweede Kamer stemde in december 2025 in met de wet die daarvoor de grondslag legt; de Eerste Kamer moet zich er nog over uitspreken. Scholen mogen nu al met de conceptkerndoelen werken. Leerlingen gaan digitale middelen praktisch inzetten, zelf digitale producten maken en programmeren, en kritisch nadenken over wat technologie met hen en de samenleving doet. Dat onderwijs geeft een leraar alleen goed als hij zelf stevig in zijn digitale schoenen staat.
De studiedag heeft zijn plek. Als het de enige plek is, blijft het effect klein. Een leraar die in oktober leert hoe een digitaal portfolio werkt en het daarna niet gebruikt, is het in december grotendeels kwijt. Wat je niet toepast, zakt weg.
Bovendien krijgt iedereen op zo’n dag hetzelfde aangeboden. Voor de collega die al ver is, is het een verloren middag. Voor wie net begint, gaat het te snel. Bij leerlingen noemen we dat gebrek aan differentiatie. Bij volwassenen vinden we het kennelijk normaal.
Daarom leg ik elke vorm van professionalisering langs één vraag: komt dit vaak genoeg terug om gewoonte te worden? Frequentie wint het van intensiteit. Een leerstructuur is dan ook vooral een ritme dat je in de gewone week van de school inbouwt, in drie lagen die op elkaar steunen.
Eerst weten waar iedereen staat. Gerichte ondersteuning begint bij een nulmeting: welke basisvaardigheden zijn er, waar zitten de gaten, wat wil iemand zelf leren? Gebruik die meting als vertrekpunt en nadrukkelijk niet als beoordeling, anders krijg je sociaal wenselijke antwoorden. Daaruit volgt een persoonlijk leerpad. Dat hoeft niet groot te zijn. Drie tot vijf doelen voor een schooljaar, gekoppeld aan het eigen vak of de eigen groep, zijn genoeg. Klein houdt het haalbaar, en haalbaar houdt het in beweging.
Dan leren waar het werk gebeurt. De meeste winst boek je in de klas. Een collega die een les meekijkt en daarna vertelt wat hij zag. Een digicoach die samen met de leraar een nieuwe toepassing uitprobeert, met echte leerlingen erbij. Een kwartier nabespreken na een les waarin het digitaal anders liep dan gepland. Zo leert iemand in zijn eigen situatie, met zijn eigen groep. En collega’s zien het gebeuren, wat de drempel verlaagt om zelf iets te proberen.
En tot slot kennis laten stromen. Elke school heeft leraren die digitaal verder zijn dan gemiddeld. Ze proberen dingen uit, passen hun werkwijze aan, vinden oplossingen die niemand hun vroeg te zoeken. Die kennis blijft vaak binnen hun eigen lokaal. Kennisdeling hoeft geen extra vergadering te zijn. Vijf minuten aan het begin van elk teamoverleg, waarin één collega laat zien wat hij ontdekte, doet al veel. Of een interne studiedag waarop leraren elkaars sessies verzorgen. Het criterium blijft hetzelfde: gebeurt het vaak genoeg om vanzelfsprekend te worden?
Op veel scholen komt de hele digitale professionalisering terecht op het bureau van één persoon. Dat doet die persoon tekort, en de organisatie ook.
De digicoach is een leraar met digitale affiniteit die collega’s didactisch begeleidt. Hij legt de verbinding tussen wat technisch kan en wat een groep nodig heeft, en hij heeft het vertrouwen van het team omdat hij zelf voor de klas staat. De ICT-coördinator zorgt voor de infrastructuur: netwerk, apparaten, accounts, beveiliging. Beide rollen zijn nodig en vullen elkaar aan. Uitwisselbaar zijn ze niet. Wie de digicoach ook de storingen laat oplossen, ziet hem binnen een jaar veranderen in een helpdesk. Dan verdwijnt precies de begeleiding in de klas die de tweede laag draagt.
Bij digitale vaardigheid denken de meeste besturen aan ICT. Toch zit de afdeling die het meeste verschil kan maken ergens anders. HR bepaalt mee wat er in gesprekscycli aan bod komt, hoe scholingsbudgetten worden ingezet en waar je op let bij werving. Zolang digitale vaardigheid daar ontbreekt, blijft het vrijblijvend.
Ik hoor dan vaak het bezwaar dat je leraren hier niet op moet afrekenen. Daar ben ik het mee eens. Het gaat om een verwachting die bij goed vakmanschap hoort: een vast gespreksonderwerp, een ontwikkeldoel in het persoonlijk plan, een vraag in het sollicitatiegesprek. Wie dat verbindt met de school als lerende organisatie, raakt al snel aan de cultuurvraag die ik beschreef in schoolcultuur als struikelblok bij digitalisering. Structuur zonder cultuur blijft papier.
Een volledige leerstructuur staat niet in een maand. Een begin wel. Deze drie stappen kun je volgende week zetten:
Hoe je dit verbindt met de leerlijn voor leerlingen, lees je in mijn aanpak voor digitale vaardigheid en geletterdheid. De twee versterken elkaar: een leraar die zelf leert, herkent beter wat zijn leerlingen nodig hebben.
Wie in het onderwijs werkt, weet hoe dat voelt: een leerling die ineens iets doorheeft. Die verbazing gunnen we kinderen elke dag. Bij onszelf laten we haar vaak liggen, omdat de week vol zit en de studiedag toch al geweest is.
Stel je het teamoverleg van volgende maand voor. De eerste vijf minuten zijn voor één vraag, en iedereen weet dat hij komt: wat heb je deze maand ontdekt dat je nog niet wist? Wie in jouw team heeft daar al een antwoord op klaarliggen?
Volgende stap. Wil je een leerstructuur neerzetten die over een paar jaar nog draait, ook als de kerndoelen digitale geletterdheid ingaan? Als kwartiermaker en verandermanager bouw ik die samen met je team op. Liever eerst een paar dagdelen om te sparren? Daarvoor is de strippenkaart. Of plan een gratis kennismaking van 45 minuten.
Lees ook. Digitale vaardigheid organiseer je gewoon en De digicoach als sleutelfiguur: waarom scholen deze rol serieuzer moeten nemen.
Bron: Ministerie van OCW, Kamerbrief over de kerndoelen burgerschap en digitale geletterdheid (1 september 2025); Tweede Kamer, Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen; Rijksoverheid, Definitieve conceptkerndoelen digitale geletterdheid (juli 2025); Kennisnet, Nieuwe kerndoelen digitale geletterdheid.
Frequentie wint het van intensiteit.
Ik bouw samen met je team een leerstructuur die over een paar jaar nog draait. Flexibel via de strippenkaart
Kan ik je helpen met jouw Leerplatform?
Neem contact op
Ik gebruik cookies om te zien welke pagina's gelezen worden en om video's te kunnen tonen. Je kiest zelf; je keuze wordt een jaar onthouden.