Zes jaar geleden leerde het onderwijs in één weekend digitaal lesgeven. Wat is daarvan blijven hangen, en wat zegt dat over digitale adoptie in het onderwijs?
Zondagavond 15 maart 2020. Het kabinet maakt bekend dat de scholen de volgende dag dichtgaan. Maandagochtend zitten teams in lege lokalen met een laptop en een vraag die niemand had voorbereid: hoe geef je morgen les aan dertig kinderen die thuis zitten? Er was geen plan. Docenten waren er niet klaar voor. Er was alleen geen alternatief.
Wat volgde was improvisatie op een schaal die het onderwijs nooit eerder zag. Leraren werden van de ene op de andere dag cameraman, regisseur en helpdesk tegelijk. Sommigen bloeiden op. Anderen leden zichtbaar. En scholen richtten in weken in wat normaal jaren had gekost. Zes jaar later is het tijd om te kijken wat dat heeft opgeleverd, want de vraag die ik in mijn werk het vaakst tegenkom, is dezelfde die de schoolsluiting zo scherp stelde: hoe zorg je dat digitale adoptie in het onderwijs beklijft?
De sneltreinvaart van 2020 maakte iets zichtbaar wat altijd al bestond: een team is geen eenheid als het gaat om digitale vaardigheid en digitale bereidheid. In elk team zie ik grofweg twee houdingen. De ene groep zoekt houvast. Ze willen weten wat er van hen verwacht wordt, welke applicatie ze gebruiken en hoe dat goed gaat. Weerstand is dat zelden; ze willen duidelijkheid voordat ze beginnen. De andere groep gedijt bij vrijheid. Ze proberen uit, ontdekken zelf wat werkt en ergeren zich aan elke handleiding.
Beide groepen heb je nodig. Toch schrijven scholen hun digitaliseringsplannen vaak voor één van de twee. Dan bereik je per definitie de helft van je team.
Er kwam nog iets bovendrijven. Een docent die weet hoe Microsoft Teams werkt, weet daarmee nog niet hoe hij een goede les op afstand ontwerpt. Hoe houd je leerlingen betrokken achter een scherm? Hoe geef je zinvolle terugkoppeling als je niet naast iemand staat? Hoe zie je dat een leerling het niet snapt als zijn camera uit staat? Juist die vragen ontbraken in de spoedcursussen van 2020. Iedereen leerde knoppen. Bijna niemand leerde lesgeven op afstand.
De meest gemaakte fout uit die weken zie ik nog steeds terug, ook nu er niets meer hoeft. We kopiëren de analoge werkwijze naar het digitale medium. De docent die gewend is aan klassikale instructie, geeft op afstand precies dezelfde les. Even lang, dezelfde opbouw, alleen via een scherm. Het resultaat laat zich raden. Leerlingen haken af, de aandacht zakt weg en het scherm wordt vooral een bron van afleiding.
Digitaal lesgeven vraagt een eigen didactiek: kortere instructie, meer activerende werkvormen, meer ruimte voor zelfstandig werken en een andere manier van terugkoppelen. Moeilijker is dat niet. Anders wel. En anders leren kost tijd, die in maart 2020 niemand had.
De scholen die dat begrepen, stelden hun docenten een andere vraag. Ze vroegen niet “kun jij dit ook digitaal?”, maar “wat heeft jouw leerling nodig, en hoe helpen wij je daarbij?” Wie zo vraagt, investeert vanzelf in begeleiding naast apparatuur. Op veel scholen komt die begeleiding van een digicoach: een collega die voor de klas staat en daardoor wel gehoord wordt.
In 2020 schaften scholen programma’s aan, maakten accounts aan en stuurden instructies rond. Daarna ging men ervan uit dat het zou werken. Voor een deel van de docenten werkte het ook. Toen de scholen weer opengingen, verdween het gebruik van veel van die programma’s even snel als het gekomen was.
Dat patroon is sindsdien nauwelijks veranderd. In de besturen waar ik werk zie ik het bij elke invoering, of het nu gaat om een nieuw leerlingvolgsysteem, een elektronische leeromgeving of een communicatieplatform. De energie gaat naar de lancering. Opvolging, begeleiding en bijsturing krijgen wat er overblijft. En dat is meestal weinig.
Adoptie is een proces met drie fasen, en elke fase vraagt iets anders van de school.
De meeste scholen investeren in de eerste fase: de uitleg, de studiedag, de startbijeenkomst. Dat voelt als voortgang. Maar wie stopt na fase één, komt zelden bij fase drie. En zonder eigenaarschap is elke digitale investering tijdelijk. Het wacht op het moment dat de druk wegvalt, zoals in juni 2020.
Zes jaar na de gedwongen sprong zie ik twee soorten scholen. De ene groep heeft vastgehouden wat werkte en is verder gebouwd. De andere groep keerde terug naar het oude normaal zodra dat kon. Het verschil zit zelden in de techniek. Het zit in de manier waarop leiding, cultuur en begeleiding zijn georganiseerd. Over die cultuur schreef ik eerder in schoolcultuur als struikelblok bij digitalisering.
De scholen die wel leerden, coachen op didactiek, naast bediening. Een docent die begrijpt waarom een werkvorm werkt, zet hem beter in dan een collega die alleen weet waar de knop zit. Ze maken ruimte om te proberen. Een digitale les die mislukt, levert informatie op voor de volgende. Daarnaast kiezen ze bewust welke applicaties ze gebruiken en waarvoor, en ze houden zich daar ook aan. Dat scheelt docenten tien inlogs. Het scheelt ook een privacyvraagstuk: de wildgroei aan apps uit het voorjaar van 2020 moeten veel besturen nu alsnog in kaart brengen voor het Normenkader IBP FO, dat vóór 1 januari 2027 een zelfevaluatie en een plan van aanpak vraagt.
Ten slotte kijken ze of het werkt. Hoe tevreden docenten zijn, zegt iets. Wat leerlingen er beter van leren, zegt meer. Dat is lastiger te meten, en juist daarom slaan veel scholen het over.
Je kunt tegenwerpen dat de schoolsluiting een uitzondering was en dat je er weinig uit kunt afleiden voor gewone tijden. Dat klopt maar half. De omstandigheden waren uitzonderlijk; het gedrag niet. De lancering zonder nazorg, de gekopieerde les, het team dat voor de helft werd bediend: dat zag ik daarvoor al, en ik zie het nog steeds. 2020 zette het alleen onder een vergrootglas.
Wie nu aan digitalisering werkt, heeft iets wat in maart 2020 ontbrak: tijd. Tijd om docenten te betrekken voordat er iets wordt aangeschaft. Tijd om de tweede en derde fase net zo serieus te plannen als de eerste. Tijd om successen zichtbaar te maken, zodat de collega die houvast zoekt ziet dat het kan. Wie dat structureel wil aanpakken, vindt een route in de zestien stappen van Jouw transformatiemodel, waarin een digitale mindset en uitvoeringskracht elk een eigen plek hebben.
Die tijd is een voorrecht. Het is ook een risico, want zonder druk schuift nazorg makkelijk door naar volgend schooljaar. Kijk eens naar de laatste applicatie die jouw school invoerde. Wie gebruikt hem nu nog, en wie had dat een jaar geleden voorspeld?
Volgende stap. Wil je weten hoe ver de digitale adoptie op jouw school werkelijk is gekomen? Met een inventarisatie breng ik in kaart wat er staat en wat er gebruikt wordt. Zoek je iemand die de invoering zelf begeleidt tot in fase drie, kijk dan naar verandermanager ICT in het onderwijs, of plan een gratis kennismaking van 45 minuten.
Lees ook. De webcamdocent van 2019: wat technologie wel en niet doet tegen het lerarentekort en Digitale transformatie in het onderwijs: vijf lessen van scholen waar het lukt.
Bron: Rijksoverheid, Aanvullende maatregelen onderwijs, horeca, sport (15 maart 2020); SIVON, Normenkader IBP FO.
Iedereen leerde knoppen. Bijna niemand leerde lesgeven op afstand.
Ik begeleid een invoering tot collega’s hem als hun eigen werk zien. Verandermanager ICT en onderwijs
Ik gebruik cookies om te zien welke pagina's gelezen worden en om video's te kunnen tonen. Je kiest zelf; je keuze wordt een jaar onthouden.