Ik geloof in NEON. Juist daarom wil ik streng zijn: de kans die het biedt is echt, maar ze ligt niet in het platform.
In 2009 stond er al eens iemand met bijna hetzelfde plan. Minister Plasterk gaf het startsein voor Wikiwijs, een Wikipedia voor het onderwijs, gebouwd door en voor leraren. Docenten zouden samen hun lesmateriaal maken en zich losmaken van de uitgever. Scholen konden een deel van hun boekenbudget voortaan steken in materiaal dat ze zelf ontwikkelden. Het klonk als een bevrijding.
Zestien jaar later keert die belofte bijna woordelijk terug. Begin 2025 ging NEON van start, het Nederlands Onderwijsinstituut: geen uitgeverij maar een coöperatie van scholen en leraren die hun eigen leermiddelen gaan maken. Toen een docent me onlangs vroeg of instappen verstandig is, was mijn antwoord volmondig ja. Ik geloof in wat NEON wil. In elke school ligt meer vernieuwingskracht dan de huidige methodes toelaten. Juist omdat ik erin geloof, wil ik streng zijn. Want de belofte is niet nieuw, en de geschiedenis van gratis lesmateriaal zou ons voorzichtig moeten maken.
Kijk wat er van dat eerste plan is geworden. Op Wikiwijs staan inmiddels ruim 550.000 open leermaterialen, gratis, betaald door de overheid. De zoekmachine eronder verwerkt elke maand meer dan drie miljoen zoekopdrachten. Aan materiaal is dus geen gebrek, en aan prijs evenmin, want het kost niets. En toch werd het zelden de ruggengraat van een vak. Het werd aanvulling. De methode van de uitgever bleef staan. Hetzelfde overkwam de Stercollecties van VO-content, complete en vrij bewerkbare leerlijnen die een heel vak konden dragen. Ze bestaan, ze zijn goed, en toch koos de meerderheid opnieuw de betaalde methode.
Waarom haalde al dat gratis materiaal de klas niet? Niet door de prijs, en niet door een tekort. Al in 2009 klonk de tegenwerping dat lesmateriaal ontwikkelen een vak apart is, waarvoor docenten niet zijn opgeleid. Wie lesgeeft, is nog geen ontwerper van leerlijnen. Daar kwam de rest bovenop. Onderzoek van Kennisnet en SURF laat een nuchter beeld zien. Docenten delen hun eigen lessen vaak niet, uit twijfel over de kwaliteit en uit tijdgebrek. En wie wél materiaal van een ander wilde hergebruiken, verdwaalde in een oerwoud aan vindplaatsen, zonder een betrouwbare manier om te beoordelen wat deugde.
De rem zat dus nooit in het materiaal. Hij zat in de voorwaarden eromheen: de tijd die ontbrak, en een schoolorganisatie die het maken en delen nergens beloonde. Gratis lesmateriaal aanbieden loste een probleem op dat scholen niet hadden. De vernieuwingskracht van docenten werd niet geblokkeerd door een gebrek aan grondstof. Ze werd geblokkeerd door een gebrek aan ruimte om er iets mee te doen.
Toch zou het oneerlijk zijn om NEON af te doen als de zoveelste herhaling. Op een aantal punten is het slimmer opgezet dan zijn voorgangers, en dat verdient erkenning. Wikiwijs dreef op vrijwilligheid: een leraar die in zijn eigen avonduren iets maakt, deelt, en hoopt dat een ander het vindt en vertrouwt. NEON betaalt auteurs die in dienst zijn en de methodes onderhouden, zodat de basis niet veroudert zodra de maker afhaakt. Het is één organisatie voor primair en voortgezet onderwijs, waardoor doorlopende leerlijnen en samenhang tussen vakken binnen bereik komen. En de scholen dragen als coöperatie samen de kosten én de zeggenschap, in plaats van te wachten op wat een markt hun voorschotelt. Daarmee repareert NEON precies de weeffout van het open-materiaalmodel.
Dat is winst. Maar het is de basis, niet de belofte. Het deel dat er werkelijk toe doet, de vernieuwingskracht van docenten, hangt aan iets wat NEON niet kan leveren. Een editor maakt aanpassen mogelijk. Hij maakt geen tijd om aan te passen, en geen cultuur die dat aanpassen waardeert. Precies op dat punt liep Wikiwijs vast, en geen platform ter wereld lost het voor een school op. Dat moet de school zelf doen.
Zet daarom hetzelfde NEON neer in twee scholen, en je krijgt twee verschillende uitkomsten. In de ene wordt het een werkplaats waar vaksecties hun lessen aanscherpen en met elkaar delen. In de andere wordt het een gratis methode die niemand aanraakt, even dichtgetimmerd als de betaalde die ze verving. Het gereedschap is in beide gevallen identiek. Het verschil is het huis eromheen: het leiderschap, en de tijd die dat leiderschap vrijmaakt.
Er is bovendien een winst die in het enthousiasme vaak ondersneeuwt, omdat de aandacht naar de bevrijde individuele docent-auteur gaat. Dat is een romantisch beeld, en voor veel leraren betekent het eerder meer werkdruk dan meer vrijheid. Het interessantst is niet de losse maker, maar de samenhang. NEON belooft doorlopende leerlijnen over de vakken heen, met digitale geletterdheid en burgerschap als draad door het geheel. Vakoverstijgende thema’s die in verschillende lessen op hetzelfde moment landen. Dat is precies wat een versnipperde markt structureel niet kan leveren, omdat elke uitgever zijn eigen eiland verkoopt. En het is precies wat de nieuwe kerndoelen vanaf 2027 van scholen gaan vragen, waar digitale geletterdheid geen los vak is maar een lijn door het hele curriculum. Wie nu over NEON nadenkt, denkt of hij het wil of niet ook na over die opdracht.
Bij dit alles past een tegengeluid, omdat het te makkelijk wegvalt onder het enthousiasme. Een goede methode is niet de vijand van de docent. Ze is zijn steiger. Ze neemt de last van het materiaal weg en geeft ruimte voor het pedagogische werk, voor de klas. Vraag je iedere leraar om medeontwerper te worden, dan verhoog je de werkdruk in plaats van de autonomie. Maatwerk wordt graag bezongen, maar voor velen is het een last en geen geschenk. De kunst is niet om iedereen aan het bouwen te zetten. Ze is om de sectie die wíl vernieuwen de ruimte te geven, zonder het de sectie die dat niet wil op te dringen.
Dat maakt NEON voor een bestuur geen inkoopbeslissing. Toetreden en een vast bedrag per leerling betalen is het makkelijke deel. De bewerkbaarheid en de samenhang werkelijk benutten is een verandertraject, en die twee horen niet door elkaar te lopen. De besparing op licenties is reëel, maar wie haar naar de onderkant van de begroting laat wegvloeien, koopt een goedkopere versie van dezelfde afhankelijkheid. Ploeg een deel ervan terug in geroosterde, gewaardeerde ontwikkeltijd voor een bewust gekozen voorhoede, en de bewerkbaarheid wordt iets anders dan een knop die niemand indrukt.
De NEON leermiddelen verdienen het dus serieus genomen te worden. Niet omdat het goedkoper is, al is het dat, maar omdat het voor het eerst de basis op orde brengt die gratis lesmateriaal altijd miste. De kans op meer vernieuwingskracht is echt. Alleen ligt ze niet in het platform, maar in wat een school eromheen bouwt. Wie NEON binnenhaalt als goedkopere leverancier, krijgt over een paar jaar precies wat Wikiwijs ons al zestien jaar laat zien: een indrukwekkende, gratis verzameling die de praktijk niet veranderde. Wie het binnenhaalt als verandering, met tijd en met leiderschap dat vernieuwing waardeert, kan eindelijk de kracht aanboren die nu in elke school ongebruikt op de plank ligt.
Wil je weten hoe de digitale cultuur op jouw school ervoor staat en welke eerste stap het meeste oplevert? Neem contact op voor een vrijblijvend gesprek.
Wikiwijs (2009) is het door Kennisnet en de Open Universiteit opgezette platform voor open, gratis leermateriaal, inmiddels ruim 550.000 stuks, gefinancierd door de overheid. Stercollecties (VO-content) zijn complete, curriculumdekkende en vrij bewerkbare leerlijnen voor vo-vakken, gratis te gebruiken. Impuls Open Leermateriaal (IOL) is het landelijke programma dat de ontwikkeling en het gebruik van open leermateriaal wil versnellen. NEON sluit hierop aan.
NEON (Nederlands Onderwijsinstituut) is een coöperatie van leraren, schoolleiders en schoolbesturen die sinds begin 2025 zelf leermiddelen ontwikkelt voor primair en voortgezet onderwijs. De website ging op 5 november 2025 live; inmiddels zijn ruim honderdtwintig besturen aangesloten, samen goed voor meer dan zeshonderdvijftigduizend leerlingen. Auteurs zijn in dienst en onderhouden de methodes. De software wordt gebouwd onder leiding van Marten Blankesteijn, oprichter van Blendle en de Universiteit van Nederland. Scholen betalen een vast bedrag per leerling en gebruiken het materiaal zoals het is of passen het aan. Het startkapitaal kwam onder meer van de AFAS Foundation.